Yvon Trossèl volgt wat het glas wil worden

Thea Figee

Bij menig kunstenaar moet je – voorafgaand aan een atelierbezoek – de vraag stellen of er voldoende kunst in het atelier aanwezig is om een indruk van het oeuvre te krijgen. Die vraag is bij glaskunstenares Yvon Trossèl (1962, Sassenheim) totaal overbodig tot zelfs lachwekkend. Occhi (Italiaans voor oog) is de naam van haar werkplaats op een industrieterrein in Haarlem. Maar het is evengoed de kreet die je zou kunnen slaken wanneer de deur van haar atelier opengaat en je voor een ongebreidelde etaleurzucht van al haar geliefde glasserviezen staat. Het is vooral de schoonheid en ontroering over een zichtbaar volledige vrijheid die ze pakt vorm te geven aan wat haar hart haar als kunstenaar ingeeft. Hier moet iemand aan het werk zijn met een enorme passie. Aan het plafond hangen theatraal met glazen guirlandes versierde kroonluchters. Op vele tafeltjes zijn uitbundige exotische stoffen gedrapeerd voor een daarop afgestemd palet aan talloze kleurige, veelvormige lieflijk scheve ecolinevaasjes, honingspiegeltjes, vrolijke fransjes, circusvazen met poten, kasteelglazen, traanjuwelen, gelukkige stelletjes en woekerpotjes. Pas veel later zie je in dit ‘sprookjeskasteel’ de glasoven en de glasblazersstoel waar de kunstenares dagelijks in alle eenzaamheid haar spel met de materie speelt.

PROCESGERICHT

Yvon Trossèl maakte voor het eerst kennis met het glasblazersvak – dat ze min of meer toevallig koos – toen ze in 1980 Glasstudio De Oude Horn in Ackoy binnentrad. Ze kon er bij Willem Heesen in de leer en werkte met zijn zoon Bernard Heesen. Ze besloot meer van het vak te willen leren aan de glasafdeling van de Rietveld Academie in Amsterdam en keerde daarna nogmaals terug naar De Oude Horn om er lange tijd met Bernard Heesen te werken. Haar eerste collectie glasserviezen die ze daar maakte werd in 1992 bekroond met een gedeelde Bernadine Neeve Prijs. Bekend zou ze ook worden met haar frivole beursobject voor de jaarlijkse glaskunstbeurs in Leerdam Na een minder productieve periode en vertrek uit De Oude Horn startte Trossèl zo’n zes jaar geleden haar eigen studio in Haarlem met een door Durk Valkema gebouwd glasoventje voor klein formaat glas. Ze huurt aanvankelijk nog een assistent in, maar kiest er later in haar carrière bewust voor alleen te werken. Het komt het procesgerichte werk ten goede, zo merkt ze. Beginnend aan elk nieuw stukje glas op de blaaspijp weet ze dikwijls slechts ongeveer waar ze op uit wil komen, laat staan dat je dat nog met iemand zou moeten communiceren.

IK KIES VOOR DE ZACHTE BENADERING

Trossèl: “De zwaartekracht is mijn assistent. M’n pincet is mijn toverstafje waarmee ik vormen uit de glasmassa trek en de verschillende kleuren meng. Ik volg het glas, zoals het zich beweegt, plooit, valt, stroperig als honing zijn vorm zoekt. Glas valt heel mooi, weet je dat? Daar maak ik gebruik van. Ik ben de gangmaker. Het glas is aan het werk. Ik dwing geen vormen af, kies niet voor het brute gevecht met de materie, maar de zachte benadering. Ik laat zien wat het glas mij vertelt. Het is meer een dialoog tussen twee gelijkwaardige partijen, maar ik moet ze dikwijls wél redden. Juist dan worden ze het leukst.” De eindresultaten zijn pas geslaagd als ze bezield zijn en willen overleven, zoals Trossèl het zelf met flink veel humor kan vertellen: “Het kan me enorm ontroeren als ik bijvoorbeeld een vogelvormig vaasje heb gemaakt en ik de warme pootjes ervan voel als ik het net uit de koeloven draag.”

ROCOCO-STIJL

Creaties van Trossèl zijn het liefst samen, zo vindt de kunstenares en dat is nog een reden waarom ze met zijn allen – zoveel als een tafel kan hebben – bij elkaar staan. “Glas leeft. Je stopt er als glasblazer iets in en je krijgt er veel meer voor terug, want het licht kleurt er elke dag anders op.”
Voedingsbodem van haar kunst is de natuur, de wereld van vissen, tropische vogels, lichtval op een Hollands landschap of de fonkeling en beweging van water.
De beeldtaal van haar barokke veelkleurige grillige kommetjes, karafjes, vaasjes, potjes en schaaltjes is barok en zichtbaar verwant aan de even barokke arabesken en veelvormige kelken en vazen van Bernard Heesen, maar Trossèl’s vormen en palet zijn verfijnder en de kunstwerken zijn kleiner. Ze lijken met decoratieve tafeltjes en al bijna te smeken om een plekje in een gelijkgestemd pastelgetint interieur van een fraai paleis in rococo-stijl zoals we die uit de kunstgeschiedenis kennen of een mooi paleis in haar geliefde stad Venetië. Maar misschien staan haar serviezen even fraai op een gedekte tafel in een scène uit een film van Fellini, de regisseur die ze bewondert. Voor zover het daar niet van gaat komen is haar werk in ieder geval voor iedereen voortdurend te zien in galeries als Art Kitchen in Amsterdam, Interart in Heeswijk Dinther, De Vis in Harlingen en Jonkergouw in Wijk bij Duurstede.